‘Crowd litigation’ wederom een succes: Rechter verplicht de Staat tot het verminderen van uitstoot broeikasgassen

boom 9Begin dit jaar werd door een brede coalitie van organisaties en ondernemingen (waaronder Privacy First en PILP-NCJM) een kort geding aangespannen tegen de Nederlandse Staat om de Wet bewaarplicht data buiten werking te stellen. Op 8 april 2014 had het Europees Hof van Justitie namelijk de Europese Dataretentie Richtlijn met terugwerkende klacht ongeldig verklaart wegens strijd met het EU Handvest voor de Grondrechten. De Wet bewaarplicht data was op deze Europese Richtlijn gebaseerd, maar werd na deze uitspraak van het Europese Hof toch nog door de Nederlandse regering toegepast. Op 11 maart 2015 wees de kort geding rechter de vordering van de ‘privacy coalitie’ toe; de rechter achtte de Wet bewaarplicht data strijdig met het recht op bescherming van de privacy. Dit voorbeeld van ‘crowd ligitation’ leidde tot de buitenwerkingstelling van een nationale wet, een baanbrekende uitspraak.

We hebben niet lang hoeven wachten op een nieuwe baanbrekende uitspraak in ‘crowd litigation’: Gisteren deed de rechtbank Den Haag uitspraak in de Urgenda Klimaatzaak. De Stichting Urgenda heeft, mede namens 886 ‘natuurlijke’ personen, de Staat gedagvaard om een meer ambitieus klimaatbeleid af te dwingen. De opwarming van de aarde veroorzaakt nu en ook in de toekomst veel schade aan het milieu en in de levens van burgers. De Staat heeft volgens Urgenda een zorgplicht om haar burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij beroept Urgenda zich op verschillende verdragen waaraan Nederland zichzelf gebonden heeft, zoals het VN-Klimaatverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Een van de meest belangrijke maatregelen in de strijd tegen de opwarming van de aarde is de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Om die reden heeft Urgenda de rechter gevraagd de Nederlandse Staat te bevelen een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen te realiseren. Het gaat erom een reductie te bereiken van 40%, of in ieder geval van 25%, in 2020 ten opzichte van het niveau in 1990. Over de benodigde vermindering van in ieder geval 25% in 2020 ten opzichte van het 1990 niveau bestaat internationale consensus en ook de Nederlandse regering zelf heeft aangegeven deze vermindering nodig en haalbaar te achten.

Tot verrassing van velen wees de rechtbank gisteren inderdaad de eis toe en oordeelde dat de Staat de uitstoot van broeikasgassen in 2020 ten minste moet hebben verminderd met 25% ten opzichte van het niveau in 1990 om haar burgers te beschermen tegen de opwarming van de aarde. De Nederlandse Staat pleegt een onrechtmatige daad indien het onvoldoende maatregelen neemt om de beoogde vermindering te realiseren. De rechtbank geeft aan dat Urgenda weliswaar niet rechtstreeks een beroep toekomt op het EVRM, maar dat de normen van het EVRM wel de nationale civielrechtelijke beginselen inkleuren – zoals de maatschappelijke zorgvuldigheid.

Wereldwijd gezien is dit een unieke rechtszaak én een unieke uitspraak. Niet eerder heeft een Staat zich voor de nationale rechter moeten verdedigen voor de maatregelen die het neemt in de strijd tegen de opwarming van de aarde. Niet eerder heeft een nationale rechter geoordeeld dat een Staat onrechtmatig handelt wanneer het niet voldoende maatregelen neemt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag doorbreekt het ‘prisoners dilemma’, namelijk dat landen naar elkaar kijken alvorens ze maatregelen nemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De rechtbank maakt duidelijk dat elk land, dus ook een klein land als Nederland, een eigen verantwoordelijkheid heeft in de strijd tegen de opwarming van de aarde en aangesproken kan worden op de eigen bijdrage die het levert aan de vermindering van uitstoot van broeikasgassen. Deze juridische redenering is een mijlpaal die hopelijk zijn weg zal vinden naar de VN conferentie over klimaatverandering in Parijs, december 2015.